Back Stabbers (073Magazine)


03 06 2016



‘Hey maar, effe eerlijk nu, die ene vriend van jou hè, die hier wel eens komt, die met die bril, die ouwe, daar heb jij wel eens seks mee, toch?’ De vragensteller kijkt me uitdagend aan. Waar slaat dit nou weer op, zeg ik. Die kerel waar jij het over hebt is getrouwd en bijna zestig! ‘Ik ben vast niet de eerste die dit vraagt', vervolgt de fantast. 'Het wordt hier in de straat toevallig door iedereen gezegd hoor.’ De man waar ik mee aan het praten ben is een collega uit de straat (de Korenbrugstraat in 's-Hertogenbosch).Hij wijst naar een veertiger die ik ook ken, die aan de terrastafel naast ons zit. ‘Hij daar, hij zei het gisteravond nog waar iedereen bij zat. Dat jij seks hebt met die bril. Hij wist het zeker want je hebt het zelf aan hem verteld.’

Tjonge, denk ik… Is de ene stinkroddel de wereld uit, komt de volgende alweer zijn lelijke hoofd boven de prut uitsteken. Na carnaval werd er beweerd dat ik op een avond zo dronken was, dat ik niet meer wist wat ik deed. Ik zou een collega uit de straat ongegeneerd op z’n bek hebben gepakt. Op zich niet zo bijzonder, want er wordt tijdens carnaval per slot van rekening heel wat afgesnaveld. In mijn geval zou ik na het speeksel uitwisselen zó misselijk zijn geworden dat ik al projectielbrakend de hele Korenbrugstraat van een laag organisch plaveisel zou hebben voorzien. Echt gebeurd. Zogenaamd. Alsof ik ooit in het openbaar zou durven kotsen. Ik, met mijn vreselijke emetofobie. Ik heb een kotsfobie gekregen nadat ik een keer tijdens een lunch met mijn ex een sjieke, overvolle brasserie in Nijmegen onder gebrokkeld heb. Gruwelijk was het, traumatisch. Geloof me: ik was helemaal niet dronken op die carnavalsavond, niet eens een beetje. De collega die ik afgelebberd zou hebben heb ik niet eens gezien. Mensen die dit soort dingen verzinnen en rondbazuinen, alleen maar om iets te lullen te hebben, die moeten een leven gaan zoeken.

Die bovenstaande klets is nog niks vergeleken met de achterklap die al eerder de revue gepasseerd is. Als we de roddelmachine van 's-Hertogenbosch mogen geloven, heb ik al minstens twee jaar een affaire met de commissaris van de Koning, omdat ik ooit in de buurt van de beste man heb gestaan toen hij een pilsje op de Parade dronk. Ik heb ook een minnaar wiens dure Porsche ik in de prak heb gereden (ik heb niet eens een rijbewijs). Ik heb Matthijs van Nieuwkerk oraal bevredigd omdat ik wanhopig graag hogerop wilde komen in de wereld van de journalistiek. En mijn moeder is een dief. Een klasgenoot op de middelbare school concludeerde dat omdat ik twee zilveren ringen droeg: die moesten wel gestolen zijn door mijn moeder, omdat ik uit een pauperwijk kwam. Logisch, toch? Op de basisschool dachten ze dat ik een spermabank-baby was, omdat ze mijn vader nog nooit op het schoolplein hadden gezien.

Ik zou me zorgen kunnen gaan maken om de roddels en iedere nacht huilend in slaap kunnen vallen, maar wat heeft dat voor zin? Het is heilzamer om de roddels van je af te schateren. Die roddels zeggen niet zoveel over mij, ze zeggen meer over de roddelaars. Roddelaars vinden dat hoge bomen extra veel wind moeten vangen of zo.

De ‘vriend’ met wie ik converseer vraagt voor alle zekerheid nóg een keer of ik met die ouwe brillenmans heb gewipt. Ik besluit om te zeggen dat ik dat gedaan heb, natuurlijk, het klopt helemaal. Tot je dienst. Mensen die me echt kennen hoeven mij niet te vragen of het waar is. Laat staan dat ze het twee keer moeten vragen.

De man naast me die de roddel zo knap heeft verzonnen, komt naar me toe: ‘Goed stukje heb je geschreven afgelopen maand in het 073Magazine.’ Nou, dankjewel, zeg ik vriendelijk en ik begin spontaan het refrein van een oud liedje te neuriën: ‘What they do? They smile in your face. And all the time they wanna take your place. The back stabbers.’