Babydoll


03 06 2016



Ik doe mijn ogen open. Mijn hoofd voelt alsof er zesenzestig vrachtwagens overheen gereden zijn. Auw. Ik heb een droge bek en dat terwijl er op mijn kussensloop toch een behoorlijk grote, symmetrische kwijlvlek zit. Aan de graftakkenlucht die uit mijn muil komt te ruiken heb ik vannacht gerookt. Stomme muts. Je hebt gerookt. Eeuwige faalhaas dat je bent. Droeftoeter! F my life!

Het T-shirt dat ik gisteren aan had, heb ik nog steeds aan. Het is eigenlijk geen T-shirt, het is een soort van zwart rompertje of hoe noem je zoiets als een volwassen vrouw het draagt? Een babydoll? Een body? Nee. Het is in ieder geval een soort rompertje van katoen dat ervoor zorgt dat het onmogelijk is dat je love handles een kijkje boven je broek uit komen nemen. Weet ik veel hoe zo’n ding heet, het is al erg genoeg dat ik er eentje nodig heb.

Ik weet in ieder geval dat ik door dat rompertje mijn kop gisteren mega hard tegen de pleerolhouder van het damestoilet in P79 heb gebeukt. Wat deed ik eigenlijk in het Plein? Whatever, dat weet ik niet meer. Het was Justin Timberlake avond, begreep ik van iemand. Ik ben fan van Justin Timberlake, het liefst zou ik Justin Timberlake willen zijn of willen hebben. Dat nieuwe nummer ook weer: zo lekker. Ik raak altijd opgewonden van hem. Toen ik bij zijn concert was heb ik non stop gefantaseerd over Justin in mijn bed. Wie doet dat niet?

Maar goed. Ik heb dus een bult op mijn kop omdat ik op die plee (waar de condens druppels tijdens het zeiken vanaf het plafond op je gezicht vallen) dat balletpak van onderen niet meer aan elkaar kreeg. Ik wrong mezelf in allerlei kronkels om die verrekte haakjes aan elkaar te krijgen maar dat lukte niet. Daarom was het tijd voor mijn perfect uitgestippelde plan B: als ik mijn hoofd nou op z’n kop, tussen mijn benen, boven de pleepot hang -dat gaat waarschijnlijk nèt zonder mijn haar te verwennen met een rioolwaterdip- dan heb ik perfect zicht op die haakjes die ten hoogte van mijn punani in elkaar gehaakt moeten worden. Met de pleerolhouder had ik tijdens mijn berekening van de zwaai die mijn hoofd moest gaan maken even geen rekening gehouden. KLABAM! Overal sterretjes. Toen de sterretjes weggetrokken waren besloot ik schijt te hebben aan die babydoll. Dan maar niet dicht. Rotding. Maar zorg dat die flappen in je broek blijven zitten, zei ik tegen mezelf. Je wilt niet dat er later op de avond iemand naar je toe komt met de mededeling dat de achterkant van je rompertje uit je broek hangt.

De bovenbuurvrouw staat weer eens recht boven mijn hoofd danspasjes te oefenen, dat is waarschijnlijk de reden dat ik wakker ben geschrokken. Wonderlijk genoeg denk ik nu niet als eerste: kut, ik ben brak, ik haat mijn leven. Nee, ik denk als eerste: kut, ik haat dit huis, waarom woon ik hier nog? Ik haat dit stinkende krot. Ik haat dit studentenhuis en alle mensen die er in wonen. Ik haat mijn leven. Nu ik overeind in mijn bed ga zitten om op de klok te kijken hoe laat het is denk ik wel: kut, ik ben brak. Ik haat mijn leven. Mijn leven is een grote puinhoop. En ik heb gisteren gerookt. Damn! En dan moet ik ook nog eens een achterlijke jubileumblog gaan schrijven omdat iedereen me al weken loopt op te jutten. Ik heb gezegd dat ik er al aan begonnen ben, maar dat was een leugen. Fuck die blog. Die ene leuke jongen die gisteren tegen me zei dat ik niet geforceerd een blog moest gaan schrijven omdat anderen dat van me verwachten had helemaal gelijk. Ik moet gewoon lekker doen wat ik zelf wil, anders gaat dat ten koste van mijn fenomenale schrijftalent. Die leuke jongen sprak ik gisteren trouwens bij Wijnbar Bij Dirk. Dirk is mijn buurman. Ik ben dol op Dirk en ik ben nog doller op de wijn die hij schenkt. Ik had met vriendinnen afgesproken om daar maximaal twee wijntjes te doen. Ik had natuurlijk van te voren kunnen weten dat dat geen twee wijntjes werden. Ik ken mezelf, o ik ken mezelf maar al te goed. Ik had kunnen weten dat ik om drie uur ‘s nachts met mijn balletpak op half zeven in een kroeg zou staan dansen op Justin Timberlake. ‘I got that sunshine in my pocket. Got that good song in my feet…’

Ik hoor op de gang allemaal mensen lopen en praten. Godverdomme, wat doen die mensen nou weer in mijn huis? Pleur op. Ik luister goed om te kunnen horen of ik een stem herken. Ik moet heel diep nadenken maar uiteindelijk herken ik één van de stemmen wel degelijk. Kut hey, da’s die verdomde makelaar weer. Da’s die makelaar die altijd onaangekondigd op de meest ongelegen momenten met zijn eigen sleutelbos op de stoep staat. De indringers staan nu recht voor mijn deur en ik hoor de makelaar letterlijk zeggen: ‘Als je iets wil weten dan moet je gewoon even bij dat meisje dat hier woont langsgaan want zij is altijd thuis.’

What the f? Hoor ik dat nou goed? IK ben ALTIJD thuis? Ik ben hier nooit man! Wat lult hij nou? Ik haat dit huis en als ik de kans krijg om het te ontvluchten, grijp ik die kans met beide handen aan. Wat wil hij nou eigenlijk zeggen? Wil hij zeggen dat ik geen leven heb en altijd maar lig weg te rotten in deze hut? Dat ik mezelf niet honderd slagen in de rondte werk en ook nog eens een studie volg daarnaast!? Wat een asshole. Ja, af en toe ben ik thuis, dat klopt. Logisch! Ik moet érgens met mijn laptop zitten om mijn opdrachten uit te werken. Niet dan? Dat ik alle tien de keren dat die pipo zonder aankondiging met bezichtigers binnenviel, wezenloos in mijn pyjama op de bank zat, is toeval. Dat is serieus toeval! Ik zit verdomme nooit om half twee ’s middags in mijn pyjama koekjes te eten op de bank. Wil die makelaar ruzie met mij of wat? Hij moet zijn irritante makelaarsklep houden! Over wie denkt hij wel niet dat hij het heeft? Uit woede en ontzetting begint mijn lip te trillen en lopen de tranen over mijn wangen. En dan heeft Iemand die mij erg dierbaar is, ook nog eens kanker in zijn lijf. Hij gaat dood!!! Godverdomme! WAAROM? KLOTE KANKER!!! Mag ik dan nooit eens een keer rustig in mijn eigen huis, waar ik huur voor betaal en waar ik privacy hoor te hebben in mijn eigen bed liggen? Ik veeg mijn uitgelopen mascara af aan mijn kussensloop en storm mijn bed uit. Ik geef een paar rake trappen tegen de bank, schop de wasmand omver en schreeuw zo hard als ik kan: TYFUSZOOI!!!

Zoals verwacht wordt er aangeklopt door de makelaar. Eigenlijk wil ik niet opendoen en heel hard roepen: oprotten!!! Maar die pipo heeft een sleutel van mijn kamer dus ik moet wel open doen. Ik trek snel een trainingsbroek aan over mijn balletpak en doe de deur open. ‘Gefeliciteerd! Het huis is verkocht! Dit is je nieuwe huisbaas en deze meneer hier komt de boel even taxeren’, zegt de vrolijke makelaar met een clownsgezicht. Zonder dat ik zeg: kom maar binnen, staat de taxateur al tussen de vieze strings die zojuist uit de wasmand gevlogen zijn. Weet je wat? Zeg ik. IK HAAT DIE HUISBAAS! Iedereen komt hier maar binnengewandeld. Ik betaal hier gewoon huur hoor. Dit is mijn huis! Waarom wordt er nooit gebeld om bezoek aan te kondigen? Waarom heeft de huisbaas zelf niet even verteld dat dit huis verkocht is? Hij heeft niet eens verteld dat het te koop stond! Ik ben het zo zat hier! Ik wil hier niet meer wonen. En waarom heeft hij een slot op de verwarming gezet? Het is nu zo klam als een schimmelinfectie hier in huis. ‘Fijn toch, daar ben je nu lekker vanaf meid.’ Pffffff. Vervolgens begin ik mezelf weer eens in mijn eigen huis te verantwoorden over het feit dat ik rond dit tijdstip in een babydoll en trainingsbroek met uitgelopen mascara rondloop. Je hoeft je niet te verantwoorden Cleo, zeg ik tegen mezelf maar ik kan het niet laten. Ik schaam me. Ik schaam me kapot. Wat moeten die mensen wel niet van me denken? Dit is nou de elfde keer dat ik in pyjama opendoe. Zij moeten haast wel denken dat ik een kansloze droeftoeter ben die niets uitvoert.

Door het kabaal wat ik aan het maken ben komen mijn twee huisgenoten die op mijn gang wonen, ook in pyjama gekleed -thank god daarvoor- met een slaperige bakkes hun kamer uit gestrompeld. Ik zeg ze gedag. ‘Ha ha’, zegt de makelaar. ‘Van haar ben ik wel gewend dat ze hier altijd in haar pyjama zit, maar jullie…’ In gedachten vlieg ik hem naar zijn strot maar ik hou me in. Hij is per slot van rekening ook maar een duffe makelaar die zijn werk doet. Hij kan er ook allemaal niets aan doen. Nou, als jullie het niet erg vinden, zeg ik, dan ga ik weer verder slapen want dat is toch het enige waar ik goed in ben. Ik draai me om en wil de deur achter me dicht trekken maar de makelaar wil nog iets zeggen: ‘Er hangt iets uit je broek.’ Ik grijns naar hem en ram de deur met grof geweld achter mijn staartvinnen dicht.